Enschede stad vroeger

Enschede ontstond in de vroege middeleeuwen als agrarische nederzetting: het centrum van een reeks buurschappen rond een aantal essen. Bij de buurschappen behoorden, behalve de landbouwgronden, ook gemene gronden, niet in het bezit van een enkele eigenaar. In de vroege middeleeuwen zijn een vijftal afzonderlijke ‘marken’ te onderscheiden: de Esmarke (Enschedermarke of Grote Boermarke), de Lonneker marke, de Usseler marke, de Twekkeler marke en de Driener marke. Tezamen vormden zij het richterambt Enschede. De boeren in de marken zijn in de middeleeuwen in het algemeen niet de eigenaar van de gronden die zij bewerken. Grondeigenaren zijn onder meer de bisschop van Utrecht, het klooster Werden, heren van Ottenstein. Gelegen op de zuidflank van een stuwwal en aan de route van Deventer naar Münster en Osnabrück, ontwikkelde het dorp zich gestaag. Omstreeks 1300 kreeg Enschede stadsrechten, die in 1325 door de Utrechtse bisschop Jan van Diest werden bevestigd. Het oudst bekende zegel van de stad vertoont de beeltenis van de parochieheilige, de Heilige Jakobus de Meerdere. Dit zegel is tot aan de Münsterse oorlog (1666) in gebruik geweest. De stad werd in de 14e eeuw omringd met een ovale grachtengordel en vanaf ongeveer 1400 door een dubbele grachtengordel. Tussen deze grachten werd toen een aarden wal met palissade aangelegd.

Toen Enschede in 1325 stadsrechten kreeg, verleende de bisschop van Utrecht ook het recht om de nederzetting te versterken. Voor 1325 was Enschede echter al omgeven door een gracht, de zogenaamde Stadsgraven. De twee bruggen over die gracht, de Veldbrug (in de huidige

Marktstraat) en de Esbrug (in de Langestraat, ter hoogte van de Haverstraatpassage) waren al voor 1300 versterkt door poorten: de Veldpoort en de Espoort. Verder lag er binnen de gracht, ten oosten van de kerk, de doomshof of hoofdhof van de Esmarke. De hof was zelf ook omgeven door een brede gracht, de Borggraven, die in verbinding stond met de Stadsgraven.